Joodse baby’s gered via pastorie Dorkwerd

Boven de voordeur van de pastorie in Dorkwerd zijn de woorden 'Pax Intrantibus' te lezen: 'Vrede voor hen die binnenkomen'.
Boven de voordeur van de pastorie in Dorkwerd zijn de woorden 'Pax Intrantibus' te lezen: 'Vrede voor hen die binnenkomen'. Foto: Ina Kooistra
actueel

DORKWERD – In de pastorie van Dorkwerd zijn in de Tweede Wereldoorlog Joodse baby’s opgevangen. Zij werden onder andere via een smokkellijn vanuit Amsterdam via Dedemsvaart naar Dorkwerd gebracht. Dit is te lezen in de pas bij SDW Boeken verschenen uitgave ‘Verzetsgroep De Groot in Groningen’ van Sipke de Wind uit Leek. Hetty Bordewijk van de verzetsgroep was bij de babysmokkel betrokken.

Uit online bronnenonderzoek blijkt dat in de Dorkwerder pastorie destijds dominee Hendrik Julius (Julius) André Douwes (1914-1991) en zijn vrouw Wilhelmina (Mimi) Koning (1916-2016) woonden. Zij ontvingen op 9 juni 1983 de Yad Vashem-onderscheiding voor het onderbrengen van Joodse onderduikers in en om Dorkwerd. Dit gebeurde in nauwe samenwerking met verzetsleider Arnold Douwes (1906-1999) uit Nieuwlande, op de grens van Drenthe en Overijssel. Arnold Douwes was een broer van dominee Julius Douwes.

Boven de voordeur van de pastorie in Dorkwerd zijn de woorden ‘Pax Intrantibus’ te lezen. Die woorden raken, want ze betekenen: ‘Vrede voor wie binnentreden’. De pastorie is zeker tijdens de Tweede Wereldoorlog een huis geweest dat vrede, gastvrijheid, rust en veiligheid bood aan mensen die er binnenkwamen.

Eén van hen was de baby Irene Sperber, dochter van de Joodse verzetslieden Gerhard (Gerd) Bertold Sperber (1920, Berlijn-Schöneberg – 1945, Nordhausen) en Anna Chlebowski (1920, Keulen – 1945, Ravensbrück). Zij hadden elkaar hadden leren kennen in het werkdorp van de Stichting Joodse Arbeid in de Wieringermeerpolder. Hier kregen jonge, uit nazi-Duitsland gevluchte Joden een tweejarige vakopleiding ter voorbereiding op een bestaan in Palestina of Amerika. Dit werkdorp werd in augustus 1941 door de nazi’s gesloten. Gerd en Anna bleven contact houden en trouwden in juli 1942 in Almelo, waarna ze in Amsterdam gingen wonen. Toen zij zich daar niet meer veilig voelen, klopten ze aan bij een familie in het Gelderse Renkum bij wie Gerd al eerder ondergedoken was geweest. In het nabijgelegen Oosterbeek, in rusthuis ‘t Hemeldal, werd in 1943 hun baby Irene (‘Vrede’) geboren.

Gerd Sperber en Anna Chlebowski waren actief in het verzet, binnen de Westerweelgroep. In deze groep werkten Joodse en niet-Joodse verzetslieden samen. De Westerweelgroep hielp Palestinapioniers onderduiken en liet hen op een vluchtelingenroute via België, Frankrijk en Spanje ontsnappen; een deel van hen wist uiteindelijk ook Engeland te bereiken. Zo zijn tussen de 250 en 275 Palestinapioniers gered; nog eens 30 anderen werden aan een onderduikadres geholpen. Een jongere zus en broer van Anna, Jetta en Leo, zijn in 1939 – dus nog voor het uitbreken van de oorlog – eveneens aan de Jodenvervolging ontkomen. Via Nederland vertrok Jetta dat jaar naar Engeland, Leo kreeg de kans om naar Palestina te emigreren.

De moedige Gerd en Anna overleefden de oorlog niet. Hun dochtertje Irene wel, dankzij het netwerk rond de gebroeders Douwes. In het oorlogsdagboek van Arnold Douwes staat onder de vermelding ‘13 december 1943, Dedemsvaart’: “Verleden maandag ben ik van hier naar Hoogeveen gefietst, over Zuidwolde. Bij bakker Blanken aangegaan waar de baby gebracht zou worden, die door Guillette naar Dorkwerd zal worden gebracht”. Guillette is de verpleegster Guillette Agathe (Jettie) Douwes (1915-1996), een zus van Arnold en Julius Douwes, die ook in het verzet actief was.

De hierboven genoemde baby was Irene. Zij kwam via de Dorkwerder pastorie in Wierumerschouw terecht, bij Jacob Croeze (1912-1985) en Antje Croeze-Schuitema (1918-2016). Jacob Croeze was een in Hoogkerk geboren arbeider, die in een melkfabriek werkte (mogelijk De Ommelanden aan de Friesestraatweg). Hij trouwde in 1940 met de in Aduard geboren timmermansdochter Antje. Toen Irene in het gezin Croeze kwam, waren er al twee kinderen: Willem (1941) en Pieter (1943), die net als Irene nog maar een baby was toen zijn pleegzusje arriveerde. In 1944 werd Gerrit geboren. Dochtertje Jantje Maria kwam eind 1947 ter wereld. Triest genoeg overleed dit meisje, 16 maanden oud, in 1949; het jaar waarin het echtpaar Croeze de voogdij over Irene kreeg toegewezen. Droevig genoeg kwam in 1952 ook zoon Pieter te overlijden, nog geen 9 jaar oud.

Het echtpaar Croeze was zeer aan Irene gehecht. Het meisje werd door de pleegouders Marianne genoemd. Toen de Palestinapionier Leo Chlebowski, broer van de door de nazi’s vermoorde moeder van Irene, in 1946 vanwege zijn nichtje contact zocht, wilde de familie Croeze geen afstand doen van het kind. Chlebowski wenste dat Irene in de Joodse traditie zou worden opgevoed en niet langer in een gereformeerde omgeving opgroeide. Het gezin Croeze ging in Aduard naar de kerk, de kinderen bezochten daar ook de christelijke school. In een interview uit 2019 zegt Irene Sperber dat haar pleegouders, bij wie ze het altijd goed heeft gehad, door de rechter zijn verplicht om haar als 3-jarige meisje te vertellen over haar biologische ouders. Daarbij toonden ze een foto van Gerd en Anna Sperber, die Irenes moeder in 1943 tegelijk met haar baby aan Arnold Douwes had afgestaan.

In het interview, opgetekend door Pieter Bootsma, vertelt Irene Sperber ook wat er met haar ouders is gebeurd nadat zij van hun kind waren gescheiden. “Mijn moeder is vanuit Hoogeveen teruggereisd naar mijn vader. Ze zijn naar Frankrijk gevlucht, waar ze zich aansloten bij de Maquis, het Franse verzet. Ze zijn in Parijs gearresteerd op 28 juli 1944. Mijn vader is afgevoerd naar een kamp in Nordhausen, mijn moeder naar Ravensbrück.” Zowel de vader als de moeder van Irene stierven, beiden 24 jaar oud, in april 1945. Diezelfde maand kwam het naziregime ten einde, met de zelfmoord van Hitler op 30 april.

Welke impact alle gebeurtenissen hebben gehad op het leven van Irene Sperber, is te lezen op de site van het Historisch Genootschap Wieringermeer (https://wieringermeer.nl/irene-sperber-ik-kan-mijn-verhaal-nu-vertellen/.) Andere voor dit verhaal gebruikte bronnen zijn: www.dominees.nl (overzicht predikanten Dorkwerd); G.C. Hovingh, ‘Predikanten die Joden hielpen’ (www.nazatendevries.nl), pg. 87-88; Ben Westerink, ‘Het verhaal van Irene Sperber’ in: Diepgang. Een kroniek van drie dorpen langs het Reitdiep. Uitgave van de Historische Vereniging Ubbega, jg. 8, nr. 22, april 2020, pg. 3-4; Wikipedia (Westerweelgroep); www.allegroningers.nl (echtpaar Croeze-Schuitema). De Nederlands-Duitse auteur Fred Seesing deed diepgravend onderzoek naar het echtpaar Sperber-Chlebowski. Hij beschreef hun levens in het zelf uitgegeven ‘Das Licht in der dunkelsten Nacht’ (2025) en maakte, vooruitlopend op het verschijnen van de Nederlandse vertaling, een zeer informatieve site (www.het-licht-in-de-donkerste-nacht.nl). Vermeldenswaard is verder ‘Het geheime dagboek van Arnold Douwes, Jodenredder’ van Johannes Houwink ten Cate en Bob Moore (uitgeverij Boom, 2018).

Anna Chlebowski en Gerhard Sperber op hun verlovingsfoto uit 1941.
Anna Sperber, alias Marianne, als 3-jarig meisje bij de familie Croeze in Wierumerschouw.

UIT DE KRANT